Bed 14: Fabales

bed 14
Fabales
sopora

Deze orde is met 3 families uitgebreid en goed omgrensd op basis van moleculaire kenmerken. De relaties tussen de families zijn nog niet helemaal duidelijk. Er zijn overeenkomsten in de basenvolgorde van het rbcL-gen en het atpB-gen in het chloroplast-DNA, en van het 18S-gen in het ribosomaal kern-DNA. Andere gemeenschappelijke kenmerken zijn het voorkomen van een groot, groen embryo, en van bepaalde soorten vaten in het transportweefsel.
De nieuwkomers in deze orde, de Quillajaceae, Surianaceae en de Vleugeltjesbloemfamilie (Polygalaceae) werden tot voor kort elders in de rosiden geplaatst.

Families:

Quillajaceae
Fabaceae
Surianaceae
Polygalaceae

Quillajaceae
Een familie met maar 1 geslacht met 3 soorten van kleine, altijdgroene bomen uit gematigde gebieden in Zuid-Amerika.
De bladeren staan in een spiraal, en zijn enkelvoudig en gezaagd, met steunblaadjes. Het meest opvallend zijn de regelmatige, 5-tallige bloemen, met de meeldraden in 2 kransen, en de sterk gelobde vruchten met gevleugelde zaden.
Tot nu toe werd dit geslacht altijd in de Rozenfamilie geplaatst, wat gezien de bloemen niet zo vreemd is. Op grond van moleculaire en houtanatomische kenmerken is het beter op zijn plaats in de Fabales, alleen wel als aparte familie.
De bast bevat zoveel saponine dat dit in brandblussers wordt toegepast. De bast wordt ook gebruikt in geneesmiddelen en in zeep, vooral die van Quillaja saponaria, een boom uit Chili.


Vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
Deze familie is, met 10% van de tweezaadlobbigen, na de Orchideeën en de Composieten, met 642 geslachten en zo’n 18000 soorten de grootste familie van bloemplanten. Het is, vooral vanwege de vaak eetbare zaden economisch gezien een erg belangrijke familie en wordt hierin alleen voorbijgestreefd door de Grassen.
De Vlinderbloemenfamilie komt overal ter wereld voor. Een veelgebruikte wetenschappelijke naam is Fabaceae, afgeleid van het geslacht Faba, maar de familie wordt ook wel Leguminosae (naar de vrucht) of Papilionaceae (naar de bloemen) genoemd.
Vlinderbloemigen kunnen bomen, struiken en kruiden zijn, met verspreide, samengestelde bladeren. De bloemen zijn 5-tallig en meestal 2-zijdig symmetrisch, waarbij het bovenste kroonblad, de vlag, het meest opvallend is, en de onderste 2 kroonbladen met elkaar zijn vergroeid: de typische ‘vlinderbloem’. De vrucht is meestal een peul.


De familie is zo groot, dat hij is onderverdeeld in 4 grote groepen:


Cercidae: Bomen en lianen met schijnbaar enkelvoudige bladeren; in deze groep zitten belangrijke bomen als Bauhinia en Cercis, die zijn bloemen direct op het oude hout draagt.

Caesalpinoideae: Met een variabele bloeivorm, en geslachten als Senna, Cassia, Caesalpinia en de Tamarinde (Tamarindus indica).

Mimosoideae: Bomen en struiken met kleine bloemetjes zoals Acacia en Mimosa, waartoe het Kruidje-roer-me-niet behoort.

Faboideae: De grootste groep, meest kruiden met typische vlinderbloemen; hieronder vallen de meeste eetbare peulvruchten, en Zoethout, Glycyrrhiza glabra.


Vlinderbloemigen hebben als bijzonderheid dat ze wortelknolletjes met stikstofbindende bacteriën hebben en bijzondere aminozuren maken. Ze worden vaak als veevoer en als groenbemester gebruikt. De zaden en vruchten zijn in veel culturen een belangrijke voedselbron.
Veel Vlinderbloemigen worden als sierplant gekweekt, zoals bij ons de Goudenregen, Brem, Lupine en Lathyrus. In Nederland komen bijna 30 geslachten van deze familie in het wild voor.

Surianaceae
Surianaceae is een familie van houtige gewassen uit warme en tropische gebieden, die het meest in Australië voorkomen, maar ook wel in Mexico.
De familie telt 5 geslachten met 8 soorten, die nogal van elkaar verschillen, behalve in houtanatomische kenmerken. Ze hebben allemaal 5-tallige, regelmatige bloemen met vrije kelk- en kroonbladen, 10 meeldraden en 1-5 vruchtbeginsels. De vrucht is een bes, steenvrucht of nootje.
Net als Quillaja werd deze familie vroeger in de Rosales geplaatst, maar ook wel in de Hemelboomfamilie (Simaroubaceae, nu Sapindales) of Rutales.
Een wijdverspreide plant van deze familie is Suriana maritima, die langs tropische kustgebieden voorkomt.

Vleugeltjesbloemfamilie (Polygalaceae)
Deze vrij grote familie telt 18 geslachten en ruim 1000 soorten van bomen, lianen en kruiden, die soms geen chlorofyl hebben. De bladeren zijn enkelvoudig, zonder steunblaadjes, soms tegenoverstaand. Ze bevatten vaak saponinen.
Vleugeltjesbloemen komen wereldwijd voor, behalve in Nieuw Zeeland en het poolgebied.
Het meest opvallend zijn de tweezijdig symmetrische bloemen, waarvan enkele kelkbladen, de vleugeltjes, vaak opvallend fel gekleurd zijn. Hierdoor lijken de bloemen wel een beetje op die van de Vlinderbloemenfamilie, maar ze zijn toch anders van opbouw: Vleugeltjesbloemen hebben vaak slechts 3 kroonbladen, die tot een gespleten buis zijn vergroeid.
In de familie komen ook meerzijdig symmetrische bloemen voor. De vrucht is vaak een afgeplatte doosvrucht. Sommige soorten Vleugeltjesbloemen en soorten van Securidaca worden als sierplant gekweekt.
In Nederland komen 3 soorten Vleugeltjesbloem (Polygala) in het wild voor. Het zijn kleine kruiden, die groeien op standplaatsen die in ons land nog steeds in oppervlak achteruitgaan: vochtige heidegrond, schraalland en kalkgrasland.

Erwten en Bonen
bonen

Zaden en vruchten van de Vlinderbloemigen vormen voor een groot deel van de mensheid een vast onderdeel van het dieet. De vruchten en de plant als geheel worden ook vaak als veevoer of groenbemester gebruikt, en vormen een belangrijk onderdeel van hooi. Vlinderbloemigen spelen een sleutelrol in vruchtwisselingsschema’s in de traditionele landbouw.

De Doperwt (Pisum sativum) komt waarschijnlijk oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten, maar is al zo lang in cultuur dat niet duidelijk is wat de oorsprong is. Peultjes en kapucijners horen ook bij deze soort.

De Boon (Vicia faba) wordt overal ter wereld gegeten, maar komt wellicht uit Centraal-Azië. Hiertoe behoren de sperzieboontjes, de snijbonen, en allerlei soorten droge boontjes.

Van de Linze (Lens culinaris) worden de zaden vaak gesplitst in de twee zaadlobben, en zo verwerkt in stoofschotels en soepen, of tot meel vermalen. Het is één van de oudste cultuurgewassen, waarschijnlijk afkomstig uit het Midden-Oosten. Esau verkocht zijn eerstgeboorterecht voor een schotel rode linzen.

De Kikkererwt (Cicer arietinum) komt mogelijk oorspronkelijk uit Turkije, en wordt in zijn geheel gegeten, bijvoorbeeld in couscous, en tot meel vermalen. Van dit meel wordt de Surinaamse snack bara gemaakt.

De Sojaboon (Glycine max) wordt in Azië al duizenden jaren gekweekt. Tegenwoordig worden sojabonen verwerkt tot olie, sojamelk, meel en veevoer, en gefermenteerd tot tahoe en sojasaus.

Twee minder bekende tropische peulvruchten zijn Khesari (Lathyrus sativus) uit India, en dhal (Cajunus cajun) uit Afrika, waarvan de zaden door de mens wordt gegeten, en de planten als voer voor dieren worden gebruikt.

De Pinda (Arachis hypogaea) is een bijzondere vlinderbloemige, waarvan de vruchten onder de grond rijpen. Deze tropische plant komt oorspronkelijk uit Brazilië.

Webredactie Hortus botanicus - Last edited: 18 Dec 2008