Bed 28: Dubbelgangers

bed 28
Dubbelgangers
greyi

Het plantenrijk telt talrijke dubbelgangers: planten die uiterlijk zo op elkaar lijken dat je zou zweren dat ze met elkaar verwant zijn. Hoe komt het dat dergelijke dubbelgangers toch in verschillende ordes worden geplaatst?

Zoals elders in de systeemtuin te zien en te lezen is, worden de verwantschappen van bloemplanten meestal afgeleid op grond van bloemkenmerken, en van kenmerken die niet met het blote oog te zien zijn zoals anatomische, chemische en DNA-kenmerken. De rest van de plant doet er in dit opzicht vaak minder toe.

In de meest recente reconstructie van verwantschappen tussen bloemplanten moeten we aannemen dat een aantal kenmerken verscheidene keren is ontstaan. Voorbeelden hiervan zijn kiemplanten met 2 zaadlobben. Deze zijn al in de Naaktzadigen bij Welwitschia te vinden, maar ook in de meest eenvoudige bloemplanten zoals Amborella en de Waterlelie (Nymphaea), en in meer geavanceerde groepen als rosiden en asteriden. Dit heet parallelle evolutie.

Nog verwarrender wordt het bij convergente evolutie: planten uit heel verschillende groepen zijn in bepaalde opzichten erg op elkaar gaan lijken, vaak omdat ze in de loop der tijden aan dezelfde omstandigheden aangepast zijn geraakt. Voorbeelden hiervan zijn droogteplanten als cactussen (Cactaceae) en veel planten uit de Wolfsmelkfamilie (Euphorbiaceae).

Niet alle gelijkenis is functioneel te verklaren, per slot van rekening hangt de evolutie van toevalligheden aan elkaar!

dubbelgangers
tuberossa

Het bestuivingstype bepaalt voor een groot deel hoe een bloem eruit ziet. Windbestuivers hebben kleine, gereduceerde bloemen waar de meeldraden en stempels meestal ver uitsteken, zodat het stuifmeel door de wind van de ene bloem naar de andere kan worden gebracht. De kleine bloemetjes staan meestal met veel bijeen, zoals bij de Grassen (Poaceae), Wilgen (Salix, Salicaceae) en Berken (Betula, Betulaceae).

Insectenbestuivers hebben vaak juist grote, opvallende bloemen of bloeiwijzen, die met hun kleur en geur insecten verleiden om hun stuifmeel te vervoeren naar andere bloemen. In veel families komen bloeiwijzen voor die uit veel kleine bloemetjes zijn opgebouwd, en samen op 1 grote, opvallende bloem lijken, met name in de Composietenfamilie (Asteraceae) en Schermbloemenfamilie (Apiaceae), maar ook bij Vlier (Sambucus) en Hortensia (Hydrangea). Vlinderbloemen zoals Kamperfoelie (Lonicera) verbergen hun honing vaak in een lange spoor, waar alleen een vlinder met zijn lange roltong bijkan. Vleermuisbestuivers hebben grote bloemen, die ’s nachts op hun best zijn.

In veel gevallen is het uiterlijk van een plant bepaald door de omgeving waarin hij groeit, zoals bij aanpassingen aan droogte of juist aan leven in het water. Wat hierbij telt is dat er voor elk probleem slechts een beperkt aantal oplossingen is. Aanpassingen aan droogte zijn in feite manieren om de verdamping te beperken: verkleining van het oppervlak (terug naar de gestroomlijnde bolvorm), reductie van het aantal bladeren, een waslaag en ziedaar de droogteplant. Aanpassingen aan leven in het water zijn juist de rijkvertakte, dunne blaadjes, waardoor zoveel mogelijk contact met het water en de daarin aanwezige gassen mogelijk is. Een waterplant heeft weinig steunweefsel nodig: zijn gewicht wordt door het water gedragen.

Naast de noodzakelijke aanpassingen aan droogte, vinden we bijvoorbeeld in het Middellandse Zeegebied erg veel bolvormige, stekelige struikjes die de gemiddelde geit erg weinig te bieden hebben: de anti-vraatformule. Als bescherming tegen begrazing hebben ze stekels en tot gemeen scherpe dorens omgevormde takken en bladeren. Ze behoren tot heel uiteenlopende families: distels horen meestal in de Composietenfamilie (Asteraceae), brem in de Vlinderbloemenfamilie (Fabaceae), maar ook de Rozenfamilie (Rosaceae) kent heel stekelige vertegenwoordigers.

Parasieten hoeven enkele dingen niet meer zelf te doen, omdat ze water en voedingsstoffen aan hun gastheer onttrekken. Ze hebben vaak geen bladgroen meer, en gereduceerde of zelfs helemaal geen bladeren. Alleen hun bloemen en zaden zijn nog belangrijk voor de voortplanting. Het blijkt vaak moeilijk te zijn om de verwantschappen van zulke sterk gereduceerde parasieten te achterhalen. Een voorbeeld is Cytinus, een parasiet die voorkomt op de wortels van Cistus en Halimium. Ooit in de Rafflesiaceae geplaatst, nu in de Cytinaceae, met een nog niet vastgestelde plek in de Malvales.

Sinds de landbouw zijn intrede deed, is het voor planten voordelig om voor de mens aantrekkelijk te zijn: denk aan de enorme oppervlakken die beplant zijn met voedsel- en siergewassen. Grote en kleurrijke bloemen leiden er sinds enkele duizenden jaren niet meer alleen toe dat er insecten voor bestuiving op afkomen, maar bewegen ook de mens ertoe om een plant te gaan kweken. Hetzelfde geldt voor vruchten en andere eetbare plantendelen, met een voorkeur voor steeds groter, sappiger en zoeter. De mens is door opzettelijke kruising en selectie zelfs een belangrijke sturende kracht geworden bij de ontwikkeling van steeds nieuwe vormen in het plantenrijk. Dit heeft niet alleen geleid tot verscheidenheid, maar ook tot een herhaling van bepaalde aantrekkelijke vormen, zoals de waterlelievormige en de pioenbloemige Dahlia.

Brandnetel en Dovenetel
kleine brandnetel

Oppervlakkig gezien lijken brandnetels en dovenetels sterk op elkaar, ze staan al in het Cruijdeboeck van Dodoens (1554) in opeenvolgende hoofdstukken, als Heete netelen en Doove of Doode netelen. De Nederlandse naam geeft nog steeds het onderscheid aan: brandnetels hebben brandharen, dovenetels niet. Ondanks hun gelijkenis behoren ze tot heel verschillende ordes: brandnetels tot de Rosales (bed 15), en dovenetels tot de Lamiales (bed 23). Het is duidelijk dat de Nederlandse naam niets zegt over verwantschap, maar slechts iets over één eigenschap: de aan- of afwezigheid van brandharen.

Brandnetels doen hun Nederlandse naam eer aan: ze dragen brandharen, holle buisjes met daarin onder andere mierenzuur, waarvan de top bij aanraking afbreekt , zodat het mierenzuur op de huid terechtkomt. De wetenschappelijke naam Urtica verwijst naar het Latijnse woord voor branden, urere.

In Nederland komen 2 soorten Brandnetel voor: de Grote brandnetel (Urtica dioica) en de Kleine brandnetel (Urtica urens). Het zijn bekende onkruiden, die vooral op stikstofrijke plaatsen groeien.

Maar laat bij het wieden vooral een hoekje met brandnetels staan! Brandnetels zijn de enige voedselplanten voor de rupsen van enkele van de mooiste vlinders die hier voorkomen. De rupsen van de Dagpauwoog, Kleine vos en Landkaartje eten uitsluitend de bladeren van de Grote brandnetel, die van de Atalanta lusten ook alleen brandnetels, en voor de rupsen van de Distelvlinder en de Gehakkelde aurelia zijn brandnetels een belangrijke voedselbron.

Er zijn in Nederland 6 soorten Dovenetel (Lamium), waarvan de Witte dovenetel de bekendste is. Elk kind heeft weleens de honing uit de onderkant van het witte bloemetje gezogen. Ook dovenetels houden van voedselrijke grond, en groeien dus vaak bij brandnetels in de buurt.

Webredactie Hortus botanicus - Last edited: 18 Dec 2008