Bed E: Bloemplanten
- Bloemplanten in de systeemtuin
In elk van de bedden 1-27 staan vertegenwoordigers van een of meer ordes. Op het bord aan de voet van elk bed staat links het cladogram van de bloemplanten, met daarin aangegeven welke families in het bed thuishoren. Een selectie daarvan is in het bed te vinden. De meest recent afgesplitste groepen staan in het cladogram onderaan, en in de tuin achteraan.
In bed 28 staan planten bij elkaar die wel op elkaar lijken, maar die niet nauw met elkaar verwant zijn.Groepen in de bloemplanten
De ANITA groep
Eenzaadlobbigen
Commeliniden
Ceratophyllales
Chloranthales
Magnoliiden
Tweezaadlobbigen
Geavanceerde tweezaadlobbigen
Rosiden
Asteriden
De meest recente ontwikkeling in het plantenrijk is die van de Bedektzadigen (Angiospermae) of bloemplanten, waarbij de zaadknoppen zich in gesloten vruchtbladen bevinden. De meeldraden bestaan uit een steeltje (het filament) met daarop de helmhokken, waarin het stuifmeel wordt gevormd.Bloemen bestaan meestal uit een buitenste krans van kelkbladen met daarbinnen een krans van kroonbladen. Vaak is er slechts 1 soort bloemblaadjes, het bloemdek. In het hart van de bloem bevinden zich 1 of meer vruchtbladen, die tot 1 of meer vruchtbeginsels zijn vergroeid. Daarin bevinden zich de zaadknoppen.
De meeldraden staan daaromheen. Een vruchtbeginsel heeft meestal een stijl, en altijd een of meer stempels. Een stuifmeelkorrel die op de stempel belandt, kiemt, groeit het vruchtbeginsel in, en bevrucht een daar aanwezige zaadknop. Daaruit groeit een zaad. Het vruchtbeginsel groeit uit tot een vrucht met daarin de zaden.
Opvallende bloemen worden meestal door insekten bestoven, soms door vogels of vleermuizen. Bloemen die door de wind worden bestoven, zijn meestal simpeler en minder opvallend, zoals bij grassen en katjesdragers.
Windbestuiving is binnen de bloemplanten verscheidene keren ontstaan, vandaar dat windbestuivers in verschillende ordes te vinden zijn.
De eerste fossiele bloemplanten dateren uit het Krijt, dat 145 miljoen jaar geleden begon. Nu zijn er meer dan 300.000 verschillende soorten bloemplanten.
- De ANITA groep
Amborellales, Nymphaeales en Austrobaileyales Deze groep van 3 ordes is genoemd naar de eerste letters van de namen van de families Amborellaceae, Nymphaeaceae (Waterleliefamilie), Illiciaceae, Trimeniaceae en Austrobaileyaceae.
Ze behoren tot 3 ordes die een bijzonder ontwikkelingskenmerk gemeen hebben: de vruchtbladen, die bij alle bedektzadigen de zaadknoppen omsluiten, groeien tijdens de bloemontwikkeling niet aan elkaar, maar worden aan elkaar vastgeplakt door een door de plant afgescheiden stof.
- Eenzaadlobbigen
-
Sisyrinchium angustifolium
Orde: Asparagales
Familie: Iridaceae Eenzaadlobbigen hebben 1 zaadlob, die uitgroeit tot 1 kiemblaadje wanneer het zaad kiemt. De kiemwortel wordt op den duur vervangen door een stelsel van bijwortels. Eenzaadlobbigen zijn meestal kruiden. Wanneer ze diktegroei vertonen, is dat op een andere manier dan bij de rest van de bloemplanten.
De bladeren zijn meestal langwerpig, met evenwijdige nerven. Ze hebben meestal 3-tallige bloemen, met 2 kransen van 3 bloemdekbladen, 2 kransen van 3 meeldraden en 3 vruchtbladen. Aan de voet van de vruchtbladen zijn vaak honingklieren aanwezig. Soms zijn er minder bloemdelen.
De eenzaadlobbigen omvatten een kwart van alle bloemplanten.
- Commeliniden
De helft van alle soorten van de eenzaadlobbigen behoren tot de commeliniden (Arecales, Dasypogonales, Poales, Commelinales en Zingiberales). commeliniden hebben meestal een bloemdek dat bestaat uit groene kelkbladen en vaak opvallend gekleurde kroonbladen.
Deze groep omvat verscheidene families met grote bloemen, zoals de Commelinafamilie (Commelinaceae) en de Gemberfamilie (Zingiberaceae). De Palmen (Arecales) en Poales, met de Russenfamilie (Juncaceae), Grassenfamilie (Poaceae) en Cypergrassenfamilie (Cyperaceae), hebben minder opvallende bloemen. Dit hangt samen met de manier waarop ze worden bestoven.
- Ceratophyllales
Het Hoornblad (Ceratophyllum) zit in een aparte orde, de Ceratophyllales, waarmee men lange tijd vanwege de sterk versimpelde bloemen niet goed raad heeft geweten. Dit geslacht van ondergedoken waterplanten werd vroeger in een aparte familie, de Hoornbladfamilie (Ceratophyllaceae), in de Nymphaeales geplaatst, maar staat nu als zustergroep tegenover alle eenzaadlobbigen.
- Chloranthales
Deze orde bestaat uit 1 vrij kleine, tropische familie met 4 geslachten van altijdgroene planten met kleine bloemen. In deze tuin is ervoor gekozen om de Chloranthales als zustergroep van de magnoliiden en de echte tweezaadlobbigen te beschouwen, maar daarover bestaat nog geen absolute zekerheid.
- Magnoliiden
-
De magnoliiden omvatten 4 ordes: Canellales en Piperales (samen 1 groep), en Magnoliales en Laurales (ook samen 1 groep). Zowel de groep als geheel als de 4 ordes worden goed ondersteund door moleculaire kenmerken.
Men heeft lange tijd gedacht dat Magnolia-achtigen de meest primitieve bloemen binnen de bloemplanten hadden: grote bloemen met veel bloemdekbladen, meeldraden en vruchtbladen die in een spiraal op een verhoogde bloembodem staan ingeplant. Dat lijkt niet zo te zijn. Er zijn recentelijk fossielen van eerdere bloemplanten gevonden, met veel kleinere en eenvoudiger bloemen.
- Tweezaadlobbigen
-
Buxus sempervirens
Buxus
Orde: Buxales
Familie: Buxaceae De bloemplanten werden vroeger verdeeld in 2 groepen: eenzaadlobbigen en tweezaadlobbigen. Het bleek dat de planten met twee zaadlobben geen natuurlijke groep vormen, want ze omvatten niet alle afstammelingen van 1 gemeenschappelijke voorouder. Bij hele uiteenlopende groepen zijn in een zaad twee zaadlobben aanwezig: in de naaktzadige Gnetales, maar ook bij de bedektzadige Waterleliefamilie (Nymphaeaceae), en bij de rosiden en asteriden.
Wat we tegenwoordig de echte tweezaadlobbigen (’eudicotylen’) noemen zijn alle groepen vanaf de Ranunculales, ongeveer driekwart van alle bloemplanten.
Het duidelijkste gemeenschappelijke kenmerk is het tri-aperturate stuifmeel: stuifmeelkorrels met 3 meestal langgerekte dunne plekken in de wand, waardoor het stuifmeel kan kiemen.
Een ander kenmerk dat in deze groep veel voorkomt, is een bloemdek dat uit van elkaar verschillende kelk- en kroonbladen bestaat. De kelkbladen zijn meestal onopvallend en dienen als bescherming, de kroonbladen zijn meer voor de show, zoals bij de Roos.Geavanceerde tweezaadlobbigen
Saxifraga x urbium
Steenbreek
Orde: Saxifragales
Familie: Saxifragaceae De geavanceerde tweezaadlobbigen hebben meestal 5-tallige bloemen. Bij rest van de bloemplanten zijn andere aantallen bloemdelen meer algemeen: bij de eenzaadlobbigen zijn de bloemen meestal 3-tallig, bij de Proteaceae 4-tallig, en bij andere groepen zoals de Waterleliefamilie komen vaak veeltallige bloemen voor.
- Rosiden
De rosiden omvatten ongeveer een kwart van de soorten bloemplanten. Ze bezitten gemeenschappelijke moleculaire kenmerken, maar het is moeilijk om een omschrijving te geven op basis van zichtbare kenmerken.
Houtige planten en steunblaadjes komen bij de rosiden meer voor dan bij andere geavanceerde tweezaadlobbigen. De bloemen hebben vaak 2 kransen van meeldraden, waarvan de buitenste afwisselend met de kroonbladen staan. Binnen de rosiden vinden we alle bloemplanten die samenleven met stikstofbindende bacteriën.
Veel rosiden maken ellagitanninen of andere afweerstoffen, zoals glucosinolaten in de Brassicales. Op basis van moleculaire kenmerken zijn er binnen de rosiden 2 groepen onderscheiden: de fabiden (met onder andere de Fabales en Rosales), en de malviden, (met de Brassicales, Malvales en Sapindales).Asteriden
Rudbeckia subtomentosa
Orde: Asterales
Familie: Asteraceae De asteriden omvatten ongeveer een derde van alle bloemplanten. Het zijn meestal kruiden. De bloemkroonbladen zijn meestal met elkaar vergroeid, behalve bij de Apiales en Cornales. De groep is gebaseerd op moleculaire kenmerken en op het feit dat veel vertegenwoordigers bepaalde chemische stoffen (iridoiden) maken.
De Cornales en Ericales staan aan de basis van de asteriden, de rest van de ordes is op basis van moleculaire kenmerken in 2 groepen te plaatsen: de lamiiden (Garryales, Gentianales, Solanales en Lamiales), en de campanuliden (Aquifoliales, Apiales, Dipsacales en Asterales).
- Bestuiving en verspreiding
-
Het evolutionaire succes van een soort hangt direct samen met het aantal nakomeligen dat hij weet te produceren. Daarnaast is genetische variatie van groot belang. Variatie biedt de mogelijkheid tot selectie en dus tot aanpassing zodra de noodzaak daartoe zich voordoet.
Het instandhouden van een zo groot mogelijke genetische variatie gebeurt door kruisbestuiving: een stuifmeelkorrel van de ene plant bevrucht een zaadknop van een andere plant, waardoor twee pakketjes genetisch materiaal van verschillende planten samen de genetische code voor een nieuwe plant leveren.
Planten hebben allerlei mechanismen ontwikkeld om kruisbestuiving te vergemakkelijken. Ze maken vaak heel veel stuifmeelkorrels, die op allerlei manieren van de ene plant naar de andere kunnen worden getransporteerd: door de wind, door water, door mens en dier.
De efficiënte verspreiding van zoveel mogelijk zaden is een voor de hand liggende manier om zoveel mogelijk nakomelingen een kans te geven. Hierbij spelen wind, water en dieren een belangrijke rol, maar ook de plant zelf heeft soms de mogelijkheid om zaden weg te schieten zoals bij het Springzaad (Impatiens).
Bloemen
De meest recente ontwikkeling in het plantenrijk is die van de Bedektzadigen (Angiospermae) of bloemplanten, waarbij de zaadknoppen zich in gesloten vruchtbladen bevinden. De meeldraden bestaan uit een steeltje (het filament) met daarop de helmhokken, waarin het stuifmeel wordt gevormd.Bloemen bestaan meestal uit een buitenste krans van kelkbladen met daarbinnen een krans van kroonbladen. Vaak is er slechts 1 soort bloemblaadjes, het bloemdek. In het hart van de bloem bevinden zich 1 of meer vruchtbladen, die tot 1 of meer vruchtbeginsels zijn vergroeid. Daarin bevinden zich de zaadknoppen.
De meeldraden staan daaromheen. Een vruchtbeginsel heeft meestal een stijl, en altijd een of meer stempels. Een stuifmeelkorrel die op de stempel belandt, kiemt, groeit het vruchtbeginsel in, en bevrucht een daar aanwezige zaadknop. Daaruit groeit een zaad. Het vruchtbeginsel groeit uit tot een vrucht met daarin de zaden.
Opvallende bloemen worden meestal door insekten bestoven, soms door vogels of vleermuizen. Bloemen die door de wind worden bestoven, zijn meestal simpeler en minder opvallend, zoals bij grassen en katjesdragers.
Windbestuiving is binnen de bloemplanten verscheidene keren ontstaan, vandaar dat windbestuivers in verschillende ordes te vinden zijn.
De eerste fossiele bloemplanten dateren uit het Krijt, dat 145 miljoen jaar geleden begon. Nu zijn er meer dan 300.000 verschillende soorten bloemplanten.


