Evolutie van planten
- Eerste stap: Groene planten
- Tweede stap: Landplanten
- Derde stap: Vaatplanten
- Vierde stap: Zaadplanten
- Vijfde stap: Bloemplanten
- Eerste stap: Groene planten
-
Alle groene planten krijgen hun kleur doordat ze bladgroen (chlorofyl a+b) bevatten. Bladgroen zit opgeslagen in chloroplasten en geeft de planten de mogelijkheid om zelf bouwstoffen en zuurstof aan te maken. De chloroplasten ontstonden toen plantencellen blauwbacteriƫn opnamen, en deze opname is de eerste belangrijke stap in de evolutie van planten. Vanaf dat moment zijn planten in staat tot fotosynthese. De eerste groene planten waren de groenwieren (Chlorophyta) en de kranswieren (Charophyta). Deze organismen varieerden van eencellig tot meercellig en leefden voornamelijk in water.
- Tweede stap: Landplanten
De tweede grote stap in de evolutie van planten is de overgang van water naar land. De eerste landplanten (Embryophyta) ontstonden uit een van de meercellige takken van de kranswieren. Voor de overgang van water naar land moesten er wel een aantal aanpassingen plaatsvinden. Om uitdroging op het land te voorkomen ontwikkelden landplanten een cuticula, een waslaagje tussen de plant en de buitenlucht. Door dit waslaagje konden planten echter geen gassen meer uitwisselen met de buitenlucht, en daarom ontstonden er in de meeste landplanten ook stomata, zogenaamde huidmondjes. Naast deze twee aanpassingen vond er nog een derde verandering plaats: landplanten gingen zich voortplanten via embryo’s.
Mossen zijn de oudste nu nog levende landplanten. Binnen de mossen zijn er drie groepen te onderscheiden, de Levermossen (Marchantiophyta), de Hauwmossen (Anthocerotophyta) en de Bladmossen (Bryophyta). Transport van voedingsstoffen vindt bij mossen plaatst via gespecialiseerde cellen die door de plant heen bewegen.
- Derde stap: Vaatplanten
Uit de eerste landplanten ontwikkelden zich de vaatplanten (Tracheophyta). Dit is de derde grote stap in de evolutie. Binnen deze groep planten ontwikkelt zich een vaatbundelsysteem waardoor water en mineralen sneller door de plant vervoerd kunnen worden dan met het type cellen dat de mossen gebruiken. Ook ontstaan er voor het eerst grote bladeren. Binnen de vaatplanten vallen twee grote groepen, de varenachtigen (Lycophyta) en de varens (Pteridophyta). Opvallend is dat de paardenstaarten (Equisetales) tegenwoordig weer bij de varens horen.
- Vierde stap: Zaadplanten
De vierde belangrijke stap is de evolutie van zaadplanten. Mossen en vaatplanten verspreiden zich door middel van sporen. Sporen bevatten heel weinig reservevoedsel in tegenstelling tot zaden die veel reservevoedsel bevatten. Dit laatste heeft tot voordeel dat het embryo meteen kan gaan groeien. Zaadplanten hebben naast zaden nog de eigenschap dat ze hout kunnen vormen. De zaadplanten zijn onder te verdelen in twee groepen. De naaktzadigen (Gymnospermen) en de bedektzadigen of bloemplanten (Angiospermen).
- Vijfde stap: Bloemplanten
-
Het afsplitsen van de bloemplanten (Angiospermen) is de vijfde en laatste stap in de evolutie van planten. Alle planten binnen deze groep hebben een speciale voortplantingsstructuur: De bloem. Binnen de bloemplanten valt een groot aantal orden. In de systeemtuin zijn veel van deze orden vertegenwoordigd in de verschillende bedden. In deze bedden zijn de verwantschappen tussen de planten te zien maar is ook de evolutie binnen de bloemplanten te volgen. De eerst afgesplitste planten staan vooraan en de recenter afgesplitste planten achteraan.


